Het Abramitische Verbond

Het Abramitische Verbond - De belofte van God aan Abraham
Het Abramitische Verbond werd door God met Abraham gesloten in Genesis 12:1-3. “De HEERE nu zei tegen Abram: 'Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.'”

De Heer droeg Abram (wiens naam later door God werd veranderd in Abraham) op om met zijn gezin uit Ur te vertrekken en naar een nieuw land te gaan, Kanaän genaamd. Dit was een onvoorwaardelijk verbond, met daarin vier hoofdvoorzieningen:

  • Ik zal u tot een groot volk maken en u zegenen.
  • Ik zal uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.
  • Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken
  • In u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
God gaf Abraham en zijn nakomelingen werkelijk een bijzondere gunst. Gods beloften worden nooit verbroken en dit verbond was hierop geen uitzondering. Deze beloften worden in de Schrift meerdere malen vernieuwd voor Abrahams nakomelingen via Isaäk en Jakob.

Het Abramitische Verbond - Het beloofde land
Het beloofde land van het Abramitische Verbond dat aan Abraham wordt gegeven, wordt voor het eerst beschreven in Genesis 13:15-17: “Want al het land dat u ziet, zal Ik voor eeuwig aan u en uw nageslacht geven. En Ik zal uw nageslacht maken als het stof van de aarde; als iemand het stof van de aarde zou kunnen tellen, dan zou ook uw nageslacht geteld kunnen worden. Sta op, ga het land door in zijn lengte en in zijn breedte, want Ik zal het u geven.”

In deze eerste vermelding werden de grenzen van het land nog niet duidelijk gedefinieerd, maar dit wordt ongetwijfeld wel gedaan in de volgende vermelding van het beloofde land: “Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: 'Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat: de Kenieten, de Kenezieten, de Kadmonieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.'” (Genesis 15:18-21)

Later, onder de heerschappij van Koning David, kunnen we zien dat het land van Israël inderdaad al het grondgebied omvatte tussen de rivieren de Nijl (Egypte) en de Eufraat (tot in het hedendaagse Irak). Een bevestiging van het grondgebied dat onder het gezag van David stond, kan gevonden worden in 2 Samuël 8:3, Deuteronomium 1:7 en Deuteronomium 11:24.

In Jozua 1:4 bevestigde God de landsgrenzen toen de Israëlieten op het punt stonden de Jordaan over te steken en het land binnen te trekken. “Van de woestijn en deze Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat, heel het land van de Hethieten, en tot de Grote Zee, waar de zon ondergaat [de Middellandse Zee], zal uw gebied zijn.” Koning Salomo behield de controle over deze grenzen, zoals gezien kan worden in 1 Koningen 4:21, 24. Zoals God zei is het land van Hem en moet het door Zijn volk bewoond worden gedurende alle generaties van Abraham, Isaäk en Jakob. Maar het in bezit houden van het land is voor de nakomelingen van Abraham een onophoudelijke strijd gebleken.

Van de Bijbelse patriarchen tot in de 20e eeuw, viel het land in handen van verschillende grootmachten, deels ten gevolge van de Hebreeuwse ongehoorzaamheid aan Gods verbonden. Enkele van deze grootmachten waren:

  • de Babyloniërs onder Nebukadnezar
  • de Grieken onder Alexander de Grote
  • het Turkse Ottomaanse Rijk onder Sultan Süleyman
  • het Romeinse Rijk onder Constantijn
En in de 20e eeuw heerste het Britse Rijk over het land, tot de wedergeboorte van Israël als een soevereine staat in 1948. Er zijn al vele pogingen geweest om het Joodse volk uit zijn beloofde land te houden, maar steeds zijn zij er weer teruggekeerd, zij het tijdelijk en met tussenpozen. Zij hebben te lijden gehad in veldslagen, bloedbaden en de Holocaust, en ze zijn meerdere malen over de hele wereld uiteengeslagen. Toch beloofde God hen dat zij naar hun land zouden terugkeren en sinds de wedergeboorte van 1948 zijn zij in steeds grotere getale teruggekeerd.

Het Abramitische Verbond - Altijddurende beloften
Het Abramitische Verbond werd bekrachtigd met een verbondsceremonie: de besnijdenis die vermeld wordt in Genesis 17:10-14. Deze besnijdenis werd vereist als een teken van hun toewijding aan God. De voorzieningen van deze overeenkomst zijn blijvend. “Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u. Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn” (Genesis 17:7-8).

Dit is Gods belofte dat Hij de Abba Vader van Zijn volk zal zijn en dat Hij Degene zal zijn die voor hen zal zorgen met garanties voor hun toekomstige zegeningen. De enorme invloed van het Joodse volk op de wereld, middels talrijke wetenschappelijke, medische en technische staaltjes en uitvindingen, kan niet ontkend worden. Zij hebben Nobelprijzen gewonnen in de natuurkunde, economie en kunst. God heeft alle volkeren ongetwijfeld via Zijn volk gezegend, zoals gesteld wordt in Genesis 12.

Al heeft het Joodse volk zijn eigen aandeel in de verbonden met God geschonden, toch belooft Hij dat zij ooit tot inkeer zullen komen en tot Hem als hun God zullen terugkeren (Zacharia 12:10-14). Romeinen 11:26-27 stelt: “En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.”

Het Abramitische Verbond zal uiteindelijk zijn vervulling vinden in de wederkomst van de Messias. De laatste zegeningen die Hij over Zijn volk zal uitgieten zal een verzoening zijn met God als hun God in Zijn koninklijke heerschappij op aarde.

Leer meer!


WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen